Wiedes

Wiedes

Honden zijn overal goed voor. Als hoofdkussen, kruik, baken in de nacht, bijrijder in de auto, stille getuige van je bedoeninkje, gids op lange wandelingen, praatpaal, projectiescherm voor je verlangen, ontzettend schattige, grappige wezens, om eindeloos van te houden.
Ik heb rond kerstmis afscheid moeten nemen van mijn hondje, na 12½ jaar samen. Sindsdien razen de dagen voorbij als een draaimolenrit: ik hou me vast aan mijn beest, en wacht totdat we eindelijk stoppen. Ik noteer; dit was mijn meest onschuldige liefde. Verdriet is een mechaniek met aan- en uitknop. Verdriet gaat minder over degene die je verliest, dan over de machteloosheid je leven voort te zetten. Het is een steen waarop onafgebroken water druppelt, en die uitgeholde plek markeert de overledene. Verdriet is een cocon, en ik wil erin. Het is ondeelbaar; afblijven, van mij.
Ik ben misselijk en eet alleen maar soep. Elke dag soep, en ik lepel het naar binnen. Ik rol me op in het kleedje waar mijn hond tot de laatste dag een dutje deed en scheten liet – de stof ruikt naar ouderdom. Zo kijk ik kerstprogramma’s op tv. Een uur later schrik ik wakker, wat is de kamer koud en stil, mijn been slaapt, ik sta op en tol – daar is het weer, die draaimolen. Verdriet is een toestand, en bij vlagen stap ik uit: ik doe boodschappen, loop elke morgen onze wandeling, ik controleer de post, ontvang bezoek, eet oliebollen, zet koffie, draai muziek. Ik voel me blij. Doodmoe. Ik vind mezelf walgelijk. Zin in de volgende dag. Bekijk websites van foxterriërs. Ik eet kerstkransjes, praat tegen de koker met as. Ik herhaal tijdens de afwas dat het de juiste beslissing was. En dan opeens besef ik: vanaf nu zal hij voortdurend niet hier zijn, onafgebroken afwezig, mijn ingewanden protesteren en ik kruip snikkend door de keuken. Ik wil er niet over schrijven: het intieme van liefde benoemen, maakt het ordinair en dom.
De dag dat hij moest inslapen, voelde ik me de beul, ik had de datum immers geprikt.
Het wachten op de arts aan huis.
Je kijkt naar ‘m, hij ligt nietsvermoedend op de bank (op dat kleedje dat ik niet wil wassen). Hij blaft naar de arts. We kriebelen zijn kop. We praten wat. Ik serveer thee.
Zullen we dan maar, zegt ze, en ze legt uit hoe het zal gaan.
Hij wil niet onderzocht worden, dan maar zo, hij gromt van de prik in zijn bil, springt van de bank, kruipt onder de tafel, staat wijdbeens: mij krijgen ze echt niet. Hem krijgen ze wel, makkelijk zelfs, hij zakt versuft ineen, ligt binnen een paar tellen te snurken onder de tafel. De arts durft hem nu op te pakken, kijk maar hoe mak, hij is al onder narcose, zegt ze, zo zouden we hem opereren. Hoe wil je dat ik hem leg?
Tranen stromen over mijn wangen.
Zal ik even wachten, vraagt ze.
Nee.
We leggen hem op zijn favoriete plek op de bank, zitten om hem heen, dan dient ze de definitieve slaapprik toe. Langzaam spuit ze roze limonade in zijn slappe poot. Ik leg mijn hand op zijn buik: hij ademt steeds lichter. Wat vredig. Hij piept er geruisloos tussenuit. In luttele minuten is hij dood. Zo verschrikkelijk eenvoudig. Het is 17:49 uur.
Voel maar hoe zacht hij is, zegt de arts. Willen jullie even alleen zijn?
Nee, antwoord ik, het is goed. Ik aai hem en inderdaad wat is hij zacht, alle spanning en pijn is uit hem, wanneer we hem oppakken om naar zijn bed te dragen, hangt hij als een slap konijntje in onze handen, zo ontzettend slap. De arts controleert enkele keren zijn hart: niks. En zijn ogen. De laatste tijd was hij bijna blind, hij keek naar me met zijn oren, zo schuin omhoog. Kijk, zegt ze, en ze tilt een ooglid op, aan zijn blik zie je dat hij weg is.
Hoe weet je dat zeker, vraag ik.
En ze laat het me zien.

* Dit verhaal is eerder gepubliceerd onder de titel “Mechaniek van het missen” op www.marinethaitsma.nl

Laat een reactie achter

*

X
- Enter Your Location -
- or -